Geen extra sterfte door buxusmotbestrijding, wel veel pesticiden bij koolmezen

Eerder dit jaar berichtten we over dode koolmezen in kasten in Goirle.  Het onderzoek naar de oorzaken ervan was nog in volle gang.  Nu het onderzoek is gedaan wordt duidelijk dat het wel insecticiden zijn die hiervoor verantwoordelijk zijn maar niet in de eerste plaats die tegen de buxusmot worden gebruikt.  Zoals in ons eerder artikel al werd vermoed blijkt het gebruik van gifstoffen in anti-vlooienmiddelen bij huisdieren (vlooienbad en druppels) de boosdoener. Dit geeft aanleiding om hieraan als gemeente meer aandacht aan te schenken en het gebruik van insecticiden en in het bijzonder vlooienbanden en druppels met fipronil en imidacloprid, ten zeerste af te raden.
17-NOV-2019 – Bestrijding van buxusmotrupsen leidt waarschijnlijk niet tot meer koolmezensterfte in de stad. Dat laat een studie van CLM Onderzoek en Advies met het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) zien. Wel zijn er 26 verschillende pesticiden aangetroffen in dode jonge mezen. Een aantal daarvan komt verrassend uit middelen tegen vlooien en teken voor huisdieren. Voorzichtigheid is geboden.
Deel deze pagina

In de stad sterven meer nestjongen van de koolmees dan in natuurgebieden. Dat bleek al uit eerder onderzoek en is reden tot zorg. De laatste paar jaar leek de sterfte nog verder toe te nemen. Veel mensen checkten door breed gedeelde waarnemingen van mezensterfte de nestkast in eigen tuin, en vonden vaak dode jongen.

De opmars van de invasieve buxusmot en de bestrijding daarvan begon in ongeveer dezelfde periode. De vrees leefde dus dat de bestrijdingsmiddelen extra koolmezensterfte veroorzaakten. Maar dat blijkt nu niet zo te zijn. Wel zijn er andere dingen aan de hand. Wat vond het onderzoeksteam?

Vanaf 2017 is de sterfte van nestjongen van koolmezen in de stad niet toegenomen, zagen de onderzoekers bij de vergelijking van waarnemingen over een langere periode. Bovendien zijn de gevonden concentraties pesticiden in dode jonge mezen in de meeste gevallen te laag om de sterfte te hebben veroorzaakt.

Uit het hele land

Vanuit het hele land meldden mensen 411 dode mezenjongen na een oproep dit voorjaar. Daarvan zijn er 41 geselecteerd voor verder onderzoek. Op locaties waarvan de melder uitgezocht heeft welke pesticiden tegen de buxusmot zijn gespoten, vonden de onderzoekers deze stoffen niet terug in de mezen. Maar ze vonden wel wat anders.

“In totaal troffen we 26 verschillende soorten bestrijdingsmiddelen aan in de dode jonge koolmezen”, zegt Adriaan Guldemond van CLM. “En de voor vogels sterk giftige stoffen fipronil en imidacloprid kunnen in twee gevallen ook de doodsoorzaak zijn geweest van de jonge koolmezen.”

Mezen gebruiken honden- en kattenharen om hun nest te bekleden, want dat is lekker warm. Door de behandeling van honden en katten met diergeneesmiddelen tegen vlooien en teken, blijken deze haren de genoemde giftige stoffen te bevatten. Zo worden de nog kale jongen hieraan blootgesteld en nemen ze de stoffen via hun huid op. Deze verrassende besmettingsroute is nog niet eerder beschreven.

Pesticidencocktail

“In maximaal 97 procent van het aantal keren dat we in jonge mezen toegestane insecticiden vonden, zou dit te koppelen zijn aan besmetting via haren met diergeneesmiddelen. Voor gewasbeschermingsmiddelen die via het voedsel in de mezen komen, is dat 58 procent”, meldt Guldemond.

Daarmee lijkt de nieuw gevonden ‘haarroute’ de meest waarschijnlijke manier waarop jonge koolmezen insecticiden binnenkrijgen.

In een uitzonderlijk monster uit een natuurgebied vonden de onderzoekers maar liefst 20 pesticiden in één dode vogel. Van de in totaal 84 keer dat een bestrijdingsmiddel is aangetroffen tijdens het onderzoek, gaat dat voor het grootste deel (64 procent) om insecticiden. Het valt op dat naast insecticiden (tegen insecten) ook fungiciden (anti-schimmelmiddelen) en herbiciden (tegen onkruiden) zijn aangetroffen:

  • 9 insecticiden: cypermethrin, DDT, fipronil, fluralaner, imidacloprid, permethrin, piperonyl butoxide, propoxur, pyriproxyfen
  • 7 herbiciden: chloorprofam, fluroxypyr-1-methylheptylester, oxadiazon, pendimethalin, phenmedifam, propyzamide, prosulfocarb
  • 6 fungiciden: difenoconazool, dimethomorph, folpet, iprodion, pencycuron, tebuconazool
  • 2 biociden: 2-Fenylfenol, DEET
  • 1 industriele stof: difenyl
  • 1 intermediair: anthrachinon

In het onderzoek werden er 26 verschillende pesticiden aangetroffenIn het onderzoek werden er 26 verschillende pesticiden aangetroffen (Bron: CLM)

Voorzichtig met de spuit

Maar waarom sterven er in de stad nu altijd meer jonge mezen in het nest dan in het bos? “Dat komt door een combinatie van minder insecten om te eten, een lagere kwaliteit van de insecten en een hogere kans op sterfte van de ouders”, legt dierecoloog Kees van Oers van het NIOO uit. “Een algemene lage biodiversiteit van insecten in stedelijke gebieden lijkt de grootste oorzaak van deze sterfte. Zaak is dus om tuinen op zo’n manier te beplanten en te onderhouden, dat je een hoge biodiversiteit bevordert.”

Dus gebruik liever geen bestrijdingsmiddelen in en rondom het huis: dat is bevorderlijk voor het aantal soorten in je tuin. En voor het wel en wee van de kleine koolmees.

Het volledige rapport ‘Koolmezen en buxusmotbestrijding’ is beschikbaar via de website van CLM.

De in totaal 411 meldingen van dode mezenjongen komen uit alle provincies. De meeste zijn afkomstig uit Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Holland; de minste uit Drenthe, Flevoland en Friesland. Er zijn 41 monsters geanalyseerd: 17 uit steden waar wel bestrijding tegen buxusmot zou hebben plaatsgevonden, 14 uit steden waar geen bestrijding tegen buxusmot zou hebben plaatsgevonden, en 10 uit natuurgebieden waar wordt verondersteld dat er geen bestrijding heeft plaatsgevonden.

Tekst en beeld: NIOO-KNAW en CLM