Ooievaars
Wilde ooievaars
In de jaren 70 van de vorige eeuw, toen ik met vogels kijken begon, was de Ooievaar een bijna uitgestorven soort in ons land. De laatste wilde ooievaars die ik in die tijd heb waargenomen zaten in 1973 op het kasteel van Dussen en op de kerk van Drongelen waar ze hun nesten hadden. Na dat jaar verdween eerst het paartje van Drongelen en het jaar later dat van Dussen. De vogels hadden kennelijk in hun overwinteringsgebied of tijdens de trek het loodje gelegd. De laatste ooievaar van de wilde populatie in ons land broedde in het Gelderse Voorst in 1982. De sterke afname van de West-Europese populatie was vooral te wijten aan het grootschalige gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen (DDT) in de landbouw tijdens de jaren 50 en 60. Ook speelde de sterfte in de Afrikaanse overwinteringsgebieden een rol, de langdurige droogte en gifgebruik daar eisten hun tol.
Herintroductie
De Vogelbescherming besloot indertijd i.s.m. particuliere organisaties de soort in gevangenschap te fokken om herintroductie mogelijk te maken. Dit gebeurde in ons land in het ooievaarsdorp Het Liesveld bij Groot-Ammers. Eerder had men in Belgiƫ een fokprogramma opgezet met de bedoeling de vogels geleidelijk aan uit te zetten. Nederland volgde dit voorbeeld.
Scepsis en kritiek
Belangrijk is te weten dat er onder de biologen toen hierover geen consensus bestond. Critici wezen op het gegeven dat in gevangenschap opgegroeide dieren zich anders gedragen als wilde dieren, zelfs als alles eraan wordt gedaan om domesticatie (tam worden) tegen te gaan. Na het uitzetten, zo was de opvatting, kon niet worden voorspeld of er een populatie zou ontstaan die stand zou houden en onder welke omstandigheden. Want het ideale leefgebied voor de ooievaar, een kleinschalig landschap met veel poelen, slootjes en drassige weilanden was in loop der jaren danig veranderd door ruilverkavelingen en schaalvergroting in de landbouw.
Veranderend trekgedrag
Toch werd de herintroductie een succes. Vanuit de z.g.n buitenlocaties vestigden de uitgezette vogels zich in de poldergebieden langs de grote rivieren waar ze op speciale nestpalen broedden. Zo breidde de populatie zich jaarlijks over het gehele land uit. De vraag bleef of je wel kon spreken van wilde ooievaars, want de vogels werden de eerste jaren flink bijgevoerd en trekgedrag vertoonden de hier uit het ei gekomen ooievaars in het geheel niet. Geholpen door de zachte winters in de afgelopen decennia bleven de meeste vogels in ons land.
Concentraties van ooievaars
Nu, in 2026 blijkt de kritiek van de sceptici niet geheel onterecht te zijn geweest. Het is een feit dat we momenteel op veel plaatsen grote concentraties zien van ooievaars die daar bijna het hele jaar aanwezig zijn. Tegelijkertijd weten we nu, 60 jaar na de start van het fokprogramma, dat een deel van de nieuwe populatie toch weer trekgedrag vertoont. Maar nader beschouwd blijken dit vooral de vogels te betreffen die vrij in het buitengebied en dorpen zijn opgegroeid zonder hulp van van al dan niet bewust aangeboden voedsel.
De vogels die in parken zijn opgegroeid en zijn bijgevoerd hebben een andere inprenting gekregen wat in volwassen vogels tot uiting komt. Die houden zich het liefst op in de omgeving van de beschermde omgeving waar ze zijn geboren of gaan op zoek naar iets vergelijkbaars omdat ze geleerd hebben dat daar voedsel beschikbaar is. En zolang dat zo is blijven ze daar en zien geen reden om weg te trekken.

Weidevogels bedreigd
Zie hier het probleem waar weidevogelbeschermers in Midden-Brabant mee worden geconfronteerd. Zo ook de weidevogelgroep van het B-team Goirle en de Vogelwerkgroep Midden-Brabant. In hun telgebieden van Kieviten e.a. weidevogels worden elk jaar, vooral tijdens de kuikenfase, groepen ooievaars gezien die de weilanden en akkers afstruinen naar voedsel. Het aantal groot geworden kuikens van Kievit en Wulp neemt al jaren gestaag af naar een kritisch niveau voor overleving. Voor de Grutto ligt dat al jaren te laag voor de instandhouding van deze soort. Behoud van lokale populaties is enkel mogelijk in speciaal daarvoor ingerichte reservaten.
Natuurlijk is de dramatische daling van weidevogels niet enkel toe te schrijven aan de Ooievaar. De oorzaak van de achteruitgang zit hem in het huidige landbouwkundige gebruik en de dalende grondwaterstand in de weidevogelgebieden. Maar predatie zorgt in de meeste gevallen wel voor een definitief einde van een weidevogelgebied. Naast de ooievaar zijn katten, buizerd, marterachtigen, kraaien en vos geduchte predatoren van de kuikens. Er zijn twee weidevogelgebieden waar het B-team en de VWG-MB jaarlijks geconfronteerd worden met veel ooievaars in de weilanden en beekdalen. Dit zijn respectievelijk het dal van de Oude / Nieuwe Leij bij Goirle en de Reuselbeemden tussen Moergestel en Diessen.
De ooievaars in het Safaripark
De Beekse Bergen in Hilvarenbeek herbergt sedert een aantal jaren ooievaars die in kolonieverband binnen het Safaripark broeden. Nu ligt het park zowat in het midden tussen de weidevogelgebieden langs de Leij en die langs de Reusel. Het lag daarom voor de hand om met de directie en beheerders van het safaripark in gesprek te gaan. Dat gesprek heeft op initiatief van het B-team m.m.v. Rob Waals, lid van VWG-MB en werkzaam in het Safaripark, plaatsgevonden. Tijdens het gesprek, waren naast de genoemde groepen ook terreinbeheerder Wim de Jong en weidevogelspecialist Marco Renes van het Brabants Landschap aanwezig.

Een ooievaarskolonie
In het park broedden in 2025 de ooievaars in een kolonie van 69 nesten, een vreemd en ongekend fenomeen voor ooievaars in ons land. In het gesprek werd de problematiek rondom het groeiende aantal ooievaars in de weidevogelgebieden in onze omgeving besproken. Hoewel de perspectieven van de weidevogelbeschermers en het Safaripark uiteenlopen is de uitkomst van het gesprek dat het Safaripark bereid is te onderzoeken wat mogelijk is om tot regulering van de groeiende kolonie te komen. De soort geniet evenwel volledige Europese bescherming waardoor het niet mogelijk is om het broeden of grootbrengen van de jongen te beperken. Afgesproken is dat het Safaripark in contact met andere dierenparken waar de ooievaar zich geconcentreerd op houdt deze problematiek onder de aandacht brengt. Verder is het gewenst om met het ringen van de vogels op het park meer zicht te krijgen op de verspreiding van de in het park uitgevlogen vogels. Hiervoor wordt gekeken naar mogelijkheden om dit door een student biologie te laten doen onder begeleiding van het Safaripark.
Conclusie
Ooievaars in onze beekdalen blijven voorlopig een gevaar vormen voor weidevogels. Zolang er nog geen landelijk of Europees beleid is om weidevogels tegen deze bedreiging te beschermen is ingrijpen niet mogelijk. Verandering van deze situatie is iets van lange adem en kan alleen worden bereikt met voldoende hard bewijs van predatie van kuikens en eieren door ooievaars. Data die dit laatste bevestigen zijn onmisbaar en dienen te worden verzameld. Daaraan zal het B-team bijdragen.